New born

Je baby in een mooie Ann Geddes outfit. Nee, als lieveheersbeestje, paardenbloem of in een paasei op een grote canvas aan je muur. Erg schattig, maar niet aan ons besteed.

Oké, ja… Ja, ik stopte mijn baby in een gele, bedrukte romper, met bijpassend broekje en mutsje voorzien van pluchen oortjes. Ja, ik zocht naar bijpassende sokjes, met als resultaat de menselijke variant van Winnie de Pooh in mijn woonkamer. Ja, dat deed ik. Maar dat vond hij leuk. Althans, dat wist ik bijna zeker. Maar zo’n babyshoot waar de kleine jongen in een rieten mand dromerig voor zich uit zou kijken: nee.

Tot ik getagd werd via Facebook. Vanuit het kraamzorgbureau waren we de winnaar van zo’n photoshoot. Van onze deelname waren we ons niet eens bewust. We hadden geen bericht gedeeld, geliked, of voorzien van de reden waarom wij deze prijs zo graag wilden winnen. In tegenstelling tot een hoop teleurgestelde ‘verliezers’. Blijkbaar speelden we als klant bij het kraamzorgbureau automatisch mee.

Stiekem werden we langzaam nieuwsgierig. Wat hield zo’n photoshoot precies in? Hoe zou ons kindje ermee omgaan? Hoe zou de fotograaf hem stil krijgen? Zou hij het niet koud krijgen? Zou zijn tedere lichaampje die hele poppenkast wel volhouden?

In een mooie lichte studio zaten we aan tafel met de fotografe en bespraken we onder het genot van een kopje koffie en thee onze wensen. We mochten meegenieten van de restanten van een high tea, dus mijn eerste indruk: uitstekend!

Onze voornaamste wens: doe maar normaal.

De kleine jongen liet alles toe. Elk lakentje dat over hem heen gedrapeerd werd en elk mutsje dat hij op moest. Geen positie was hem te veel gevraagd. Bijna twee uur zijn we daar met hem geweest en op een korte voedingspauze na heeft hij geen moment geprotesteerd. Een lichte vorm van jaloezie ontstond toen ik die vrouw vanuit elke hoek foto’s zag nemen en hij alles accepteerde wat er om hem heen gebeurde. Ze bracht een natuurlijke rust over op hem. Een rust die ik thuis nog niet veel had gezien. Was ze soms in te huren?

Onze kleine man was nog geen twee weken oud en we wisten al dat we een fotomodel in huis hadden. Ik heb nog nooit iemand zo prachtig en aandoenlijk, onwijs chagrijnig naar een camera zien kijken.

Eenmaal thuis stonden we voor het grote dilemma. We zouden een heel leuk fotoboekje thuisgestuurd krijgen, helemaal gratis. Maar we konden ook foto’s bijbestellen. Als ik op dat moment had gekozen, had ik alle foto’s besteld. Op dat moment zou ik met gemak tweehonderd euro hebben geïnvesteerd in die photoshoot, omdat elke foto van mijn pasgeborene waardevol was. In elke foto was tijd gestoken, niet alleen door haar, maar ook door hem. En voornamelijk, was elke foto mijn zoon.

Gelukkig kozen we ervoor even te wachten. Het resultaat: de meest kitchy familiefoto bestelden we. Zo’n foto waar je de kleine prins zo onnatuurlijk mogelijk vasthoudt om even dat Amerikaanse happy-family-commercial-gevoel te hebben.

We bestelden deze foto niet onszelf, maar om door te kunnen geven aan de opa’s en oma’s. De andere foto’s beschouwden we als een mooie herinnering.

En de kleine gup? Hem staat nog wat te wachten wanneer ooit op een ongemakkelijk moment de foto’s in handen komen van die ene beste vriend die met behulp van een groot projectiescherm een zaal vol mensen weet te vermaken.

Een roze wolk

Die was er. De eerste twee dagen na zijn geboorte gierde de adrenaline door m’n lijf. De kleine was oogverblindend. Alles was prachtig aan hem. Die kleine fijne voetjes. Die mooie ranke vingertjes. Zijn ogenschijnlijke glimlach. Zelfs zijn gehuil was mooi en dat mocht de hele wereld zien en horen. Zoveel mogelijk mensen konden onze zoon komen bewonderen in zo kort mogelijke tijd, want hij was zo speciaal. Alles was nog onwerkelijk. De jongeman die naast me lag zou de rest van ons leven deel uitmaken van ons gezin. Uren kon ik naar hem staren en elk trekje van zijn gezicht bewonderen en het belang van nachtrust, dat werd echt overschat.

Maar ook roze wolken trekken voorbij. Hoewel de kraamverzorgster erop bleef hameren ’s middags uurtjes slaap te pakken, was het moeilijk daaraan toe te geven. Want in die eerste week was alles zo speciaal, moest er nog zoveel geleerd worden en mocht de kleine man geen seconde huilen zonder gehoord te worden.

Over kraamverzorgster gesproken. Iets wat me vreselijk leek. Iemand de hele dag in huis. Iemand die waarschijnlijk de was volgens het verkeerde programma zou wassen en die de kopjes verkeerd in mijn aanrechtkastje zou zetten. Iemand die de controle zou hebben over MIJN huishouden. Natuurlijk vond ik dat lastig en toch genoot ik een week lang van haar aanwezigheid. Mijn eigen huis voelde als een hotel met ontbijt op bed, een wekservice en elke dag schone lakens. Zelfs de fruithapjes waren geweldig. Elk gezinslid, inclusief de katten, werd door haar met liefde verzorgd.

Een week na zijn geboorte sloegen de onzekerheid en de vermoeidheid toe. Waarom moest de kleine jongen de hele nacht huilen? Wat deed ik verkeerd? Wat had hij nodig? Waarom daalt mijn energieniveau ineens zo snel? Regeldagen? Krampjes? Een overvloed aan voeding? Wat moet ik daarmee doen?!
Wekenlang leek elke dag een ‘regeldag’. Zo’n dag waarop je baby net iets meer van je nodig heeft dan op andere dagen. Gelukkig konden we er nog om lachen en als het tegenzat zeiden we: “Jaja, echt een roze wolk. Hij zal wel een regeldag hebben. Ach, en na een maand of vier wordt het allemaal makkelijker schijnt!”

Op internet was te lezen wat je allemaal voor je baby kon doen en ook wat je vooral niet moest doen. Fopspenen waren uit den boze. Voeding afkolven mocht pas na 4 à 5 weken. Inbakeren mocht echt niet langer dan een bepaald aantal uur per dag. Structuur geeft je baby rust en laat hem vooral niet door te veel handen gaan.
Een bezoek aan een lactatiekundige gaf handvatten, maar ook extra onzekerheid. Nog meer dingen die niet goed voor je baby zijn. Heeft je kind last van reflux? Meteen contact opnemen met een arts!
En dat laatste was de redding. De meest praktische huisarts ooit: laat alles wat je leest langs je heen gaan en volg je gevoel. En dat deden we.

Natuurlijk zouden er nog genoeg slapeloze nachten volgen, zouden we vol frustratie en machteloosheid naar het gekrijs van onze zoon luisteren, maar het gevoel dat we het écht fout zouden doen, verdween op dat moment.

 

Vooroordelen

Daar ben ik zeker mee bekend. Mijn eerste indruk moet ik regelmatig bijstellen. Van mezelf vind ik dat ik over degelijke mensenkennis beschik, maar misschien moet ik mensen soms net iets beter leren kennen voor ik mijn conclusies trek. Komt dat doordat anderen zich anders voordoen dan ze zijn? Nee, waarschijnlijk niet. Waarschijnlijk betreft het pure onzekerheid van mijn kant.

Vooroordelen heb ik niet alleen over individuen die ik ontmoet, maar ook over ‘zwangere vrouwen’. Dé zwangere vrouw voldoet aan álle onderstaande kenmerken:

  1. Ze is ouder dan ik.
  2. Ze bevindt zich niet in mijn directe omgeving.
  3. Ze heeft geen passies of ambities meer (lees: hét kind bepaalt haar leven).
  4. Ze leidt een saai eentonig leven met haar misschien nog wel saaiere partner.
  5. Ze woont in een rijtjeshuis in een Vinex wijk, puur uit praktische overwegingen.
  6. Ze heeft geen vrienden meer nodig (ze heeft immers partner en kind).
  7. Ze heeft drie dagbestedingen: het huishouden runnen, boodschappen doen en over haar buik wrijven.
  8. Ze heeft geen oog meer voor haar partner, want zodra hij thuiskomt is zij moe en wil naar bed.
  9. Ze heeft drie gespreksonderwerpen: haar zwangerschapskwaaltjes, alle dingen die ze momenteel niet kan en mag en ‘de baby’.
  10. Ze verliest alle reislust die ze misschien ooit bezat aan het ideale plaatje: die veilige camping in Zuid-Frankrijk waar je jaarlijks enkele weken naartoe kan verhuizen.

Het schijnt dat deze opsomming puur gebaseerd is op vooroordelen die misschien deels zijn ontstaan uit angst om zelf ooit moeder te worden, me te binden en mezelf te verliezen.

Dat deze lijst in strijd is met de realiteit staat als een paal boven water. Dat blijkt alleen al uit het feit dat ik wel degelijk jonge moeders in mijn directe omgeving heb en dat ik hen daarnaast ook nog eens zeer waardeer.

Dat er zelfs niks mis hoeft te zijn met veel van bovengenoemde kenmerken, wil ik ook graag benadrukken.

Tot voor kort leefde de zojuist omschreven toekomstige moeder sterk in mijn hoofd. Dit was ook de vrouw die mee zou doen aan een sport als ‘zwanger en fit’. Dat mijn sceptische blik na de eerste les direct was bijgesteld mag bekend zijn, maar dat ik me echt verbonden zou voelen met de groep had ik nooit verwacht. Sterker nog, vorige week wond ik me op om de negatieve houding van een nieuwe cursiste. Deze vrouw vroeg aan mij naar de inhoud van de les. Dus mijn enthousiaste reactie was: “Het is fitness waarbij de oefeningen zijn aangepast op het zwangere lichaam en daarnaast is het heel erg gezellig!” Gezellig? Ze voelde niet de behoefte om in ‘zo’n vrouwengroepje’ terecht te komen.  Daarnaast wilde ze vooral intensief kunnen sporten. Vóór aanvang van de les was ze eigenlijk al tot de conclusie gekomen dat deze softe manier van sporten niks voor haar was. Mijn gedachten bleven steken bij: ‘zo’n vrouwengroepje’. Dat waren we helemaal niet. We zijn jong, fit, zwanger en willen blijven bewegen en daarvoor motiveren we elkaar tijdens de les. Natuurlijk is het ontzettend praktisch dat we daarnaast ook nog ervaringen kunnen uitwisselen en elkaar van tips kunnen voorzien. Ik hoorde mezelf denken. Was dit niet precies zo’n groepje waar ik zelf altijd voor vreesde? Het enige verschil tussen haar en mij was dat zij het uitsprak in ons bijzijn.

Natuurlijk zijn we zo’n groepje vrouwen… Tijdens de les praten we over onze ervaringen van de afgelopen week. We helpen elkaar bij de oefeningen die we allemaal direct vergeten nadat de docent ze heeft uitgelegd (zwangerschapsdementie?). Na de les praten we onder het genot van een kopje thee over de verloskamers in het ziekenhuis en de mogelijkheden met betrekking tot kinderopvang. Ik weet inmiddels precies naar welk kinderdagverblijf kleine Archibald straks móet, omdat ze daar zo’n leuk biologisch moestuintje hebben. Dit is immers wat we delen en waar we eigenlijk stiekem allemaal graag over praten. Ik weet door deze mensen welke huidolie voor baby’s niet geparfumeerd is, welke homeopathische middeltjes verkrijgbaar zijn tegen buikkrampjes, waar je op let tijdens het uitzoeken van een kinderwagen en waar de luiers vaak in de aanbieding zijn.

Gedurende die les en tijdens dat drankje naderhand hebben we eindelijk de mogelijkheid om onbeperkt over ‘babydingen’ te praten zonder dat we ons bezwaard voelen ten opzichte van de persoon die tegenover ons zit.

Zeg maar dag met je katje!

Mijn vriend en ik hebben de neiging onze katten aan te spreken als personen. Soms worden we ons er pijnlijk van bewust dat uitspraken als “Even serieus, niet doen…” niet werken. Verder dan een verwaande blik terug, brengt het ons niet.

Het harig duo in huis lijkt goed te weten wat wel en niet mag, maar heeft geen moeite met het subtiel verleggen van grenzen.
Onze katten mogen bijvoorbeeld niet op tafel wanneer wij eten. Dat weten ze. Toch ontstond afgelopen week deze situatie toen Pip de tafel betrad. “Hé jongen, hoe gaat het?” Gevolgd door een aai over de bol. Gevolgd door het besef: nee, dit mag niet! Gevolgd door de liefkozende woorden: “Ehm Pip, dit is niet oké!”

Als Zola, het voormalig asielslachtoffer, voor de zoveelste keer die dag niest, beantwoorden we haar voor de zoveelste keer die dag met: “Gezondheid!” Uiteraard is Zola ontzettend zielig en kwetsbaar door haar verleden en dat weet ze. Ze moet zich vooral op haar gemak voelen, dus als voor haar een ontspannen nachtrust betekent dat ze zich languit moet spreiden over mijn hoofd, dan zij het zo. Zola is altijd letterlijk ‘in your face’ maar ze verdient het uiteraard zo enorm.
Pip daarentegen is veel meer op zichzelf, dus áls hij dan een keer bij je komt is het onmogelijk hem af te wijzen. Met als gevolg dat ik weleens een extra dekentje voor mezelf heb gepakt, omdat Pip zo lekker lag te slapen op mijn deel van het dekbed.

Ja, onze katten hebben zo hun privileges.

Wat zij echter niet weten, is dat daar binnenkort verandering in komt. Ze zullen hun terrein moeten gaan delen met een ander klein schepsel. Op hoofden slapen is dan ineens niet meer zo praktisch en met je harige lompe lichaam tegen mijn gezicht aan bonken zal ook op aangepaste momenten moeten gebeuren. Gaat dat wel goed komen? Hoe voorkomen we dat de katten stress ondervinden? Ik heb inmiddels zoveel rampverhalen gehoord en gelezen over katten die niet om konden gaan met deze verandering, hier zelfs ziek van werden en in sommige gevallen een nieuw huis moesten vinden. Gelukkig hebben we daarvoor internet. Op diverse websites staat omschreven hoe je een kat kan voorbereiden op de komst van een baby. Ik begon met het lezen van een stappenplan.

Stap 1: laat je kat wennen aan het nieuwe geluid. Laat af en toe babygeluidjes horen (YouTube) en kijk hoe je kat reageert. Bouw dit langzaam op en beloon je kat bij positief resultaat. Babygeluidjes kunnen erg intimiderend zijn voor katten, omdat het overeenkomsten vertoont met kattengejank

Resultaat Zola: niet onder de indruk.
Resultaat Pip: tilt voorzichtig zijn hoofd op en werpt me een geïrriteerde blik toe. Je ziet toch dat ik probeer te slapen?

Oké, dit gaat de goede kant op.

Stap 2: gebruik zelf al regelmatig de babyverzorgingsproducten, zodat de kat kan wennen aan de nieuwe geurtjes.

Resultaat: ‘nieuwe’ geurtjes hè…. Oké, ik schaam me er niet voor: die olie van Zwitsal gebruikte ik al dagelijks. Niks nieuws dus!

Stap 3: haal de kattenspullen uit de toekomstige babykamer. Laat de kat wennen aan het feit dat dit niet meer tot het vaste terrein behoort. Geef de kat voldoende nieuwe veilige plekjes in huis.

Resultaat: appeltje eitje. We gaan verhuizen.

Nou, dit wordt haast te makkelijk. Of niet?

Stap 4: laat je kat nu al merken dat hij/zij straks minder aandacht gaat krijgen. Bouw het contact langzaam wat af.

Resultaat: mijn katten zonder directe aanleiding links laten liggen? Geen optie. Punt.

En daar strandde mijn project. Uiteraard zullen we zorgen voor een prettige leefomgeving voor ons verwend duo. Natuurlijk zullen we er alles aan doen om ze op een positieve manier aan de baby te laten wennen. We zullen er zeker voor zorgen dat ook zij aandacht blijven krijgen. En verder, zullen we allemaal moeten wennen aan de nieuwe situatie, dus onze kleine prins en prinses ook.

Zwanger en fit

Er zijn dus voldoende cursussen, workshops en voorlichtingsavonden waar zwangere vrouwen zich voor op kunnen geven. Enige tijd terug had ik al gezien dat de sportschool het programma ‘zwanger en fit’ aanbood, maar ik durfde er vooralsnog niks mee te doen. Hoe dik moest je zijn voor je aan zoiets meedeed? Kom je dan in een groep en moet je je dan voorstellen met: “Hallo, ik ben Katja, 29 jaar oud en ik ben zwanger”? Wat hield zo’n les in? Zou het zweverig zijn? Zou je écht aan het sporten zijn? Of is het meer een praatgroepje? Uiteraard kon ik antwoord krijgen op mijn vragen door ze te stellen bij de balie, maar daar had ik het lef niet voor. Daar zou iedere sporter die zijn healthy-muscle-balance-smoothie dronk, horen dat ik zwanger ben. Ik stuurde een mail.

Want ik wilde weer niet zó’n zwangere zijn. Met zwangere vrouwen bij elkaar komen en samen elkaars kwaaltjes en onzekerheden bespreken. Samen puffen en praten over de periode van poepluiers en borstvoeding. Ik kwam erachter dat er zelfs cursussen zijn om te leren borstvoeding te geven. Helemaal niet verkeerd voor wie dat leuk en praktisch vindt, maar het past niet bij mij. Paniek! Ik wilde dit allemaal niet. Maar wat als ik er spijt van zou krijgen? Niet zou weten hoe ik moet puffen als het nodig is?

Het staat nog te ver van me af. Ik besef nog onvoldoende dat die baby er een keer uit moet. Er is de periode voor de bevalling en de periode erna. Daartussenin zit een zwart gat. En het lijkt me prima als dat nog even zo blijft.

Maar goed, dan ben je zwanger en je wilt fit blijven. Die groepsles bleef door m’n hoofd spoken. Inmiddels was ik naar aanleiding van mijn mail van harte uitgenodigd om een keer deel te nemen. Dus ik ging.

Spierpijn! Vier dagen lang had ik moeite met het op en af lopen van de trap. Squats kende ik voorheen slechts bij naam. Nu heb ik ze gevoeld. Écht gevoeld. En het voelde goed! Zwanger en fit bleek een fitnessprogramma te zijn dat was samengesteld uit oefeningen die je als zwangere vrouw mag uitvoeren en die ook na de bevalling een positief effect op je lichaam kunnen hebben.

En ja, nog steeds zeg ik liever “ik ga even sporten” dan dat ik zeg “ik ga vandaag naar zwanger en fit”, maar dat maakt niet uit. Het was een hoge drempel om te trotseren, die kleiner werd naarmate ik er langer op stond.

Kattenkoppen in Azië

In Londen word je niet raar aangekeken wanneer je over straat loopt in een panty die gevormd wordt door zwarte kousen die bij je knieën overgaan in een kattenhoofd. In Nederland wel. De buschauffeur kijkt je niet aan bij binnenkomst, zijn blik daalt vlot tot de kattenkoppen.

In deze bus is het altijd warm. In de daaropvolgende trein is het niet alleen warm, maar zorgt het constante gehobbel over de rails voor een rustgevende vibe die je tot slapen brengt.

Ik ben slank. Ik kan een panty aan met kattenhoofdjes. Ik kan een kroeg in lopen, terwijl ik daarboven een leuk zwart rokje draag en een strak topje. Het zou goed staan. De winterkou maakt me wat bleek, maar een kop warme chocomelk of glühwein zou zorgen voor een gezonde gloed in m’n gezicht.

Maar ik ga de kroeg niet in. Samen met mijn kattenkopjes stap ik uit die warme trein. Ik pak het vliegtuig en zoek de zon op. Mijn missie om Zuidoost-Azië verder te onderzoeken zet ik voort. Maleisië, Vietnam, Sri Lanka en Indonesië heb ik gezien, dus mijn volgende bestemming wordt Thailand. Het land dat ik zo lang heb gemeden, ‘omdat iedereen er naartoe gaat’.

Ik zie de parelwitte stranden, ruik de Thaise keuken, hoor het geroezemoes van locals en de bekende strandmasseuse op de achtergrond: “You want massage? Not now, later, later.” Ik voel de oosterse warmte en geniet van het zeebriesje langs mijn gezicht.

Strand Azië

De afgelopen maand heb ik goed op mijn voedselinname gelet, dus mijn bikini zit als gegoten. Onder die ene palmboom, met die prachtige hangmat, plof ik neer. Uiteraard niet voordat ik mezelf heb verwend met het sap uit de kokosnoot. Natuurlijk drink ik die niet vanuit de hangmat, want dat is onhandig met instappen.

Ik zet mijn reis voort langs rijstvelden, tempels en mooie steden. In de smalle straatjes krioelt het van enthousiaste verkooplieden. Ik snap steeds beter waarom mensen zoveel houden van dit land.

Toch klopt er iets niet. Die stem op de achtergrond. Die ruis om me heen die niet meer past bij het straatbeeld. De plotselinge stilstand. Ik schrik ervan. Ik ben wakker. Ik zie de lege ruimte om me heen. Ik zie de conducteur die me ongeduldig aankijkt. Ik moet er uit. De trein is leeg.

Ik kijk nog even goed naar mezelf. De kattenkopjes bedekken mijn benen weer. Echter, het strakke shirtje zie ik nergens terug. Ik zie een buik. De buik waar kleine Archibald in zwemt. Misschien droomde hij wel met me mee. Misschien waren we samen op reis.

Moet ik dat weten?

Het was een van de eerste dingen die de verloskundige vroeg tijdens de controleafspraak: “Waar wil je straks bevallen?” Mijn vriend had gezegd dat thuis bevallen prettiger zou zijn. Dus prima:

“Ik begreep van mijn vriend dat we dat graag thuis willen.”

“Oké… en weet je of je borstvoeding wilt gaan geven?”

“Ja, ik begreep ook dat mensen dat graag doen.”

Ze onderbrak haar vragenlijstje even. Ze vroeg aan me of ikzelf al wel echt over die dingen had nagedacht. Of liet ik me nu leiden door wat andere mensen zeiden? Eerlijk gezegd had ik er om twee redenen nog niet over nagedacht: waar had ik de tijd vandaan moeten halen? Daarnaast maakte het me ook niet zoveel uit. Ik had genoeg dingen om me druk om te maken, dus waarom hier nog kopzorgen aan besteden. Thuis bevallen klinkt inderdaad mooi, dus als dat lukt, lijkt me dat een prima uitgangspunt. En anders gaan we toch gewoon naar het ziekenhuis? Ik had inmiddels ook wel begrepen dat vrouwen 9 van de 10 keer toch niet bevallen op de voorkeursplek. En wat betreft die voeding: we kijken toch gewoon wat uiteindelijk het prettigst is?

Zo waren er nog meer dingen waar ik al lang over na had moeten denken. Welke achternaam krijgt het kindje? Op zich was die keuze snel gemaakt. Eerlijk gezegd hecht ik niet zoveel waarde aan mijn achternaam. Mijn vriend daarentegen heeft een zeldzame achternaam en zou deze graag voortzetten. Dus daar staat uw antwoord!

Anders nog iets? Oh ja, hadden we al kraamzorg geregeld? Kraamzorg, dat klinkt helemaal niet als iets dat ik wil. Oh, is dat verplicht ja? Oké, dan regelen we dat wel, maar het liefst voor zo min mogelijk uur. Ik krijg nu al hartkloppingen als ik denk aan een vreemde die voortdurend bij mijn bed staat, in mijn huis, die aan mijn spullen komt en tussen mij en mijn baby komt. Ik wil rust. Zelf ontdekken hoe alles moet en anders is er toch YouTube? Menig moeder zweert bij kraamzorg en beweert dat ik hier nog wel op terug kom. En net zoals bij mijn opvoedingsmethoden: het zou maar zo kunnen.

En dan word je dus moeder

Toen ik erachter kwam dat er een kindje op komst was had ik slechts twee keer in m’n leven een baby vastgehouden. Allebei de keren hield ik het kindje krampachtig vast gedurende vijf minuten, om vervolgens toe te kijken hoe de mensen naast mij in alle rust zich ontfermden over het kleine kwetsbare schepsel. Hoe konden zij niet bang zijn dat ze het kapot zouden maken?

Ik droom ’s nachts van kleine Archibald die ik een dag vergeten ben te voeden. Verschrompeld ligt hij naast zijn bedje. Want ja, ik was ook vergeten hem van de commode naar het wiegje te verplaatsen. Zijn hoofdje heeft een vreemde afwijking naar rechts en ik probeer het voorzichtig terug te duwen. Misschien als ik hem nu gauw fatsoeneer en van voedsel voorzie, hoeft niemand hierachter te komen. Na eindeloze pogingen om het kindje te redden schrik ik in paniek wakker.

Dit schijnt normaal te zijn. De hormonen gieren door je lijf, alles is nieuw en je bent onzeker en bang dat je nooit een goede moeder gaat zijn.

Het voelt nog zo onwerkelijk. Soms probeer ik mezelf voor te stellen als moeder. Mijn kind zal nooit rondlopen met een vieze neus of etensresten in zijn gezicht. Hij mag niet springen op de bank. Hij slaapt in zijn eigen kamertje en ruimt zijn speelgoed netjes op.

Als kind was ik ontzettend gestructureerd. Mijn poppen lagen altijd met gekamde haartjes netjes op een rijtje en ik kon precies zien wanneer iemand aan mijn speelgoed had gezeten. Ik herinner me nog dat traumatische moment toen ik in het weekend bij mijn vader kwam. Mijn klei. Altijd prachtig gesorteerd op kleur in de originele plasticzakjes. Mijn klei lag als een grote, bruine, vieze klont in het bakje. Mijn vriendinnetje was hier geweest toen ik er niet was. Ik kon wel huilen en misschien deed ik dat ook.

Dus stelde mijn vriend de terechte vraag: “Hartstikke leuk dat jíj zo ontzettend netjes was als kind, maar was jij echt zoveel gelukkiger?”

Huisje, boompje, beestje, koopwoning?

In ons appartementje kunnen we prima een kindje opvoeden. We hebben zelfs een extra kamertje. In m’n hoofd had ik deze al helemaal ingericht.

Nee, natuurlijk niet, was de reactie van mijn vriend. We gaan een huis kopen. Archibald moet opgroeien in een leuke wijk, in een huis, met een tuin (aan het water).

We zouden dus echt serieuze stappen gaan zetten! Een huis kopen doe je als je later groot bent en nu hadden we dat punt dus bereikt. Ik hoor het mijn docent nog zeggen: “En die lage hypotheekrentes van de laatste tijd…” Ja! Dacht ik! Dat klopt! Niet normaal hè? Echt, de perfecte tijd om te kopen. “…daar zijn jullie vast nog lang niet mee bezig”, vervolgde hij zijn zin. Nee natuurlijk, hij had gelijk. Ik was begonnen aan een masteropleiding. Normaal gesproken zit je nu drie of vier jaar op kamers, heb je je bacheloropleiding afgerond en ga je logischerwijs verder voor je master.

Natuurlijk had ik weleens op Funda gekeken. Droomde ik stiekem van dat mooie huis waar mijn toekomstige dwerggeitje lekker zou rondspringen in de tuin, waar ook mijn katten hun jacht op de veldmuis gewoon konden uitvoeren. Dat huis dat zou grenzen aan een perfect idyllisch slootje zoals je ze normaal alleen ziet in Zeeland of Drenthe, maar dan gewoon in Arnhem-Noord. Dat slootje waar je vanaf je steiger direct in je kajak stapt na een dag hard werken. Die ultieme rust en vrijheid daar, in dat huisje aan het water.

Terug naar de realiteit. We verhuizen natuurlijk naar een kindvriendelijke wijk, zoveel mogelijk autoluw, met voldoende speeltuintjes waar Archibald vrolijk kan rondbanjeren. Uiteraard krijgen we een keer ruzie met de buren, omdat onze kleine kater weer eens netjes zijn behoefte in de zandbak heeft begraven.

Onze tuin grenst aan een pleintje waar ook de tuintjes van Archibalds toekomstige vriendjes op uitkomen. Super praktisch! Zeker niet aan een sloot, want weet je hoe gevaarlijk dat is?

En we noemen hem…

Archibald. We kunnen er niets meer aan doen. Stiekem hoopte ik nog dat het een meisje zou worden. Dan kregen we een Sophie, een Lara of een Hannah. Maar zijn vrienden hebben onze zoon gedoopt tot Archibald. Hoe dan ook een naam die hem voor altijd zal blijven achtervolgen.

We vonden eindelijk een naam die we allebei leuk konden vinden. Weken hebben we namen geroepen en werd elke suggestie van de ander afgewezen. Ik verzon ‘mietenamen’ en hij kwam alleen met ‘ballennamen’. Mijn voorstel was om de ongeborene voorlopig met onze nieuwe vondst aan te spreken. Te kijken of we aan deze naam konden wennen. Maar mijn vriend zei: “Nee, dat kunnen we nu niet meer maken tegenover Archibald”.

Het begon natuurlijk als een grapje. Groepsapps. Heel onschuldig. Het was handig een koosnaampje te hebben in plaats van ‘de baby’. Het schept een band tussen ons en dat wezentje, het maakt ons kindje écht. Maar geen haar op mijn hoofd die het toe gaat laten dat ons kind door het leven gaat als Archibald.

“Maar je kan het toch leuk afkorten naar Archi?” zei mijn vader. Serieus? Gaan we hier serieus over nadenken? Hebben de mannen in mijn omgeving ergens een steekje los zitten? Wie noemt z’n kind nou zo. “Ja, precies. Het is ontzettend origineel!” Toen kwam iemand nog met de suggestie om Archibald dan als tweede naam in te zetten: Jonathan Archibald, Sebastiaan Archibald. Mijn zoon met een tweede naam die hij nooit zal durven uitspreken. Zo’n ‘A’ in de initialen die voor iedereen een raadsel blijft. En pas bij de bruiloft: “Neem jij, Christiaan Archibald…” Zijn toekomstige vrouw rent weg van het altaar. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.

Gelukkig hebben we nog even, maar er móet een alternatief komen. Want ik draag geen Archibald in me. Maar voor nu… is het best nog even makkelijk.