En dan word je dus moeder

Toen ik erachter kwam dat er een kindje op komst was had ik slechts twee keer in m’n leven een baby vastgehouden. Allebei de keren hield ik het kindje krampachtig vast gedurende vijf minuten, om vervolgens toe te kijken hoe de mensen naast mij in alle rust zich ontfermden over het kleine kwetsbare schepsel. Hoe konden zij niet bang zijn dat ze het kapot zouden maken?

Ik droom ’s nachts van kleine Archibald die ik een dag vergeten ben te voeden. Verschrompeld ligt hij naast zijn bedje. Want ja, ik was ook vergeten hem van de commode naar het wiegje te verplaatsen. Zijn hoofdje heeft een vreemde afwijking naar rechts en ik probeer het voorzichtig terug te duwen. Misschien als ik hem nu gauw fatsoeneer en van voedsel voorzie, hoeft niemand hierachter te komen. Na eindeloze pogingen om het kindje te redden schrik ik in paniek wakker.

Dit schijnt normaal te zijn. De hormonen gieren door je lijf, alles is nieuw en je bent onzeker en bang dat je nooit een goede moeder gaat zijn.

Het voelt nog zo onwerkelijk. Soms probeer ik mezelf voor te stellen als moeder. Mijn kind zal nooit rondlopen met een vieze neus of etensresten in zijn gezicht. Hij mag niet springen op de bank. Hij slaapt in zijn eigen kamertje en ruimt zijn speelgoed netjes op.

Als kind was ik ontzettend gestructureerd. Mijn poppen lagen altijd met gekamde haartjes netjes op een rijtje en ik kon precies zien wanneer iemand aan mijn speelgoed had gezeten. Ik herinner me nog dat traumatische moment toen ik in het weekend bij mijn vader kwam. Mijn klei. Altijd prachtig gesorteerd op kleur in de originele plasticzakjes. Mijn klei lag als een grote, bruine, vieze klont in het bakje. Mijn vriendinnetje was hier geweest toen ik er niet was. Ik kon wel huilen en misschien deed ik dat ook.

Dus stelde mijn vriend de terechte vraag: “Hartstikke leuk dat jíj zo ontzettend netjes was als kind, maar was jij echt zoveel gelukkiger?”